Canonlo

Allebé, Gerard

‘Baanbreker der lichamelijke opvoeding in Nederland ‘ (Ken u Zelven 1894, p. 136)

Gerardus, Arnoldus, Nicolaus Allebé werd op 29 november 1810 geboren in Amsterdam. Op 17-jarige leeftijd liet Gerard zich daar inschrijven als medisch student aan het
Athenaeum Illustre

Athenaeum Illustre

De Latijnse naam voor ‘illustere school’. Dit instituut werd beschouwd als voorloper van de universiteit. In 1877 werd het omgevormd tot de Gemeentelijke Universiteit Amsterdam.
Voor de beantwoording van een prijsvraag op chemisch gebied kreeg Allebé in 1830 een gouden medaille. Tijdens zijn studie geneeskunde aan de universiteit van Leiden verbleef hij ruim tien maanden in België als lid van de ‘Kompagnie vrijwillige jagers der Leydsche Hoogeschool’. Op 27 januari 1836 promoveerde hij in Leiden als medicus.
Allebé vestigde zich in Amsterdam als geneesheer (tot 1874). Zijn publicaties op het gebied van zijn hoofdstudie, de gezondheidsleer, en zijn andere werkzaamheden kregen een grote waardering van wetenschappelijke instellingen, het stadsbestuur, het provinciaal toezicht op het gezondheidswezen en de ‘hooge landsregeering’. Vooral zijn
inzet voor het welzijn

inzet voor het welzijn

Zo was Allebé o.a. medeoprichter van het Algemeen Ziekenfonds en ‘Het Witte Kruis, lid van de commissie tot bevordering van de koepokinrichting en curator van het Athenaeum.
van zijn medeburgers en voor het volksonderwijs maakte hem geliefd. In 1868 volgde zijn benoeming tot adjunct-inspecteur van het ‘Geneeskundig Staatstoezicht voor Noord-Holland’.
Allebé, wiens naam intussen ‘in geheel ons land een gouden klank’ had gekregen, was lid van verdienste, erevoorzitter of erelid van diverse organisaties waaronder het erelidmaatschap van het Nederlands Gymnastiek Verbond (1886). Hij was ridder in de orde van de Nederlandse Leeuw (1866) en ontving in 1931 als oud-‘Leydsche jager’ het Metalen Kruis Vrijwillers 1830-1831. Op 18 juli 1892 overleed Allebé in zijn geboorteplaats. Op 12 mei 1893 eerde een gemengde commissie van vertegenwoordigers uit de gymnastiekwereld de nagedachtenis van Allebé in de vorm van een
gedenkteken

Gedenkteken

F.G. Croesen, oud-secretaris en penningmeester van de vakvereniging, nam het initiatief voor een geldinzameling teneinde Allebé te eren in de vorm van een grafmonument op de begraafplaats ‘Zorgvliet’ aan de Amstel in Amsterdam. Bij de onthulling van het monument sprak hoogleraar. D. Josephus Jitta, oud voorzitter van het Nederlands Gymnastiek Verbond , namens het Nederlandse volk en de turnwereld. De opschriften op het grafmonument luidden ‘Baanbreker der lichamelijke opvoeding in Nederland’ en ‘Medicus Amstelodamensis’. (Bron: Ken U Zelven: jaarboekje der Vereeniging van Gymnastiek-Onderwijzers in Nederland. 5e jaargang, 1893-1894. Tilburg: Arts, p.19-20; p. 132-137. Olympia, 1893, 7e , No. 29, p. 2.; No. 33, p. 3.
dat op zijn grafmonument werd geplaatst.

Propagandist
Allebé was een vooraanstaand
hygiënist

Hygiënist

De hygiënisten waren progressieve medici uit de (gegoede) middenklasse die zich inzetten voor verbetering van de slechte sociale en hygiënische toestanden van het volk. Ze voerden oppositie tegen de verstarde (aristocratische) medische wereld.
, had grote belangstelling voor en hij was een van de ijverigste invoerders van het gymnastiekonderwijs. Echter, sinds het optreden van ‘Turnvater’ F.L. Jahn stond het turnen bij de overheid in een kwaad daglicht. Desondanks slaagde Allebé erin door zijn vele publicaties en lezingen in het gehele land de (regerings)bestuurders langzamerhand van de waarde van gymnastiekonderwijs te overtuigen.
Allebé gaf de aanzet tot uitgebreide en systematische beschrijvingen van de lichaamsoefeningen. Hij zette zich ook in voor de realisering van de meisjesgymnastiek en schuwde daarbij de kritiek van de tegenstanders niet. Zo beschreef hij in een artikel de voor- en nadelen van de ‘Gymnastie’ voor de ‘vrouwelijke jeugd’. Door het werk van de Duitse turnleraar
Moritz Kloss

Moritz Kloss

Kloss was Director der Königlichen Sachsischen Turnlehrerbildungs-Anstalt te Dresden.
(1818-1881) werd hij nog meer overtuigd van het nut van ‘kunstmatige’ lichaamsoefeningen voor meisjes. Temeer ook omdat volgens Allebé bij meisjes in de grote steden veel lichamelijke houdingsafwijkingen (b.v. ruggengraatskrommingen) voor kwamen omdat voor hen de gelegenheid tot bewegingsspelen in de openlucht ontbrak.

Promotor
Mede door de inzet van Allebé gaf de gemeente Amsterdam in 1862 een ‘schitterend voorbeeld’ door de invoering van gymnastiek als ‘verplicht leervak’ voor jongens en meisjes op alle openbare scholen.
Intussen was in 1851 in de voormalige vleeshal aan de Westermarkt in Amsterdam een gymnastiekschool geopend. Daar werd de zogenaamde Duitse methode (waarschijnlijk turnen volgens Jahn-Eiselen) gehanteerd. Tevens trachtten de bestuurders van deze
normaalschool

Normaalschool

Dit is een verouderde benaming voor de onderwijzersopleiding. De term is afkomstig van de Franse instelling École normale primaire.
, grotendeels behorende tot de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen, onderwijzers in de gymnastiek op te leiden. In 1853 trad Allebé toe tot dit bestuur.
Het gymnastiekonderwijs had in die tijd bij de jongens tot doel het bevorderen van de ‘heerschappij van den geest over het lichaam’ en was bij de meisjes gericht op ’versterking der gezondheid en op het verkrijgen eener schoone gestalte’. Door middel van woord en geschrift hield de steeds bekender wordende Allebé niet op de heilzame werking van goed gegeven lichaamsoefeningen te propageren en te legitimeren. ‘Onzen doctor’ stond vooraan bij de strijd tegen vooroordelen der gymnastiek en bovenal bij den strijd, soms in de vorm van een
list

list

‘Dokter Allebé (Amsterdam) behoort tot de medici, die zich keren tegen de ongezonde levenswijze van de vrouw. Hij moet afrekenen met de algemene overtuiging, dat gymnastiek voor meisjes de naarste gevolgen kan hebben. De Amsterdamse dokter verzint een list. Tijdens eet openbare les met jongens laat hij zijn dochtertje vermomd meedoen. Het „jongetje" valt niet flauw, het blinkt zelfs uit. Het begin van gymnas- tieklessen voor meisjes’ (De Waarheid, 9 maart 1968).
, tegen de vooroordelen van eene meisjes-gymnastiek’ (Disse 1892). Hij werd alom beschouwd als een van de pioniers die mede de basis heeft gelegd voor de invoering van het vak onder de facultatieve en de verplichte onderwijsvakken, respectievelijk bij de herziening van de lagere onderwijswet (1857) en de wet op het middelbaar onderwijs (1863). Als dank benoemde de Vereniging van Gymnastiek-Onderwijzers in Nederland in 1870 Allebé tot
erelid

Erelid

Allebé is tevens erelid van:
  • Het Nederlands Gymnastiek Verbond
  • Het ‘Amsterdamsche Genootschap tot bevordering der Koepokinenting voor minvermogenden’
  • De ‘Vormschool voor onderwijzeressen aan bewaarscholen’.
  • Hij is tevens lid van verdienste en ere-voorzitter van de vereniging ‘Het Witte Kruis’
. In Winschoten (1881:‘Allebé’) en Delft (1904: ‘Dames G.V. Allebé’) werden zelfs gymnastiekverenigingen naar hem genoemd.

Grondlegger
Allebé legde zich vooral toe op de medische gymnastiek. Als hoofdbestuurder van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen in zijn woonplaats stelde hij een ‘Inrichting voor orthopedische gymnastiek’ in. Dit naar aanleiding van de activiteiten en publicaties van de Duitse medicus D.G.M. Schreber (1808-1861), hoofd van een orthopedische geneesinrichting in Leipzig. Allebé heeft uitvoerige boekbesprekingen gewijd aan de werken van deze Duitse arts. Zo behandelde hij de meer praktische aspecten van zijn ‘geneesgymnastiek’, zoals de aard der oefeningen, de werking ervan op diverse organen en de behandelbare aandoeningen. Maar daar bleef het niet bij. Allebé ging zelfs zover dat hij de geneesbewegingen van Schreber persoonlijk uitvoerde en door leerlingen van de ‘Amsterdamsche Gymnastiekschool’ onder zijn toezicht liet verrichten. Zo was hij in staat op empirische basis een gedegen oordeel te geven.
Door toedoen van Allebé is de gymnastiekschool in Amsterdam uitgebreid met een orthopedische afdeling. Op dit instituut werd voor het eerst in Nederland de medische gymnastiek toegepast.

Voor een uitgebreide literatuurlijst zie Literatuurverwijzingen.

Auteur: Jaap Tuinenga