Venster

Verbod op de minitrampoline

Over zalen, sportvelden, toestellen, ballen, sportkleding en nog veel meer

Tussen 1976 en 1980 heeft de staatssecretaris van het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen (O&W) de rijksscholen voor voortgezet onderwijs verboden de minitrampoline te gebruiken. De aanleiding was een ernstig ongeval. Docenten waren onvoldoende geschoold en de wijze van gebruik was onvoldoende bekend. Vanaf 1980 werd het gebruik onder voorwaarden weer toegestaan en vanaf 1991 werd het geheel overgelaten aan het bevoegd gezag. Dit was mede het gevolg van een nieuwe besturingsfilosofie in het onderwijs: deregulering en autonomie. In 1997 kreeg dit zijn beslag in de decentralisatie van de onderwijshuisvesting naar de gemeenten, die op hun beurt (partieel) kunnen door decentraliseren naar schoolbesturen. Dit bood meer mogelijkheden voor integraal lokaal beleid en maatwerk. De verschillen tussen gemeenten en tussen scholen werden sindsdien groter.
Daarmee is de rol van de rijksoverheid wat betreft bekostiging en zeggenschap, die sinds de onderwijspacificatie in 1917 leidde tot een gedetailleerde wet- en regelgeving omwille van de financiële gelijkstelling tussen openbaar en bijzonder onderwijs, behoorlijk veranderd.

De eerste gymzalen voor scholen dateren uit 1850. Bij de oprichting van de KVLO in 1862 zijn het er zes. Vanaf 1840 wordt vooral gebruikgemaakt van speelplaatsen/pleinen naast scholen die, in navolging van onderwijzer R.G. Rijkens, werden ingericht met allerlei gymnastiektoestellen zoals zweefrek, brug, touwen, ladders en wipplanken. Ook buiten scholen werden speelplaatsen gesticht met attributen als draaischijven, draaimolens, schommels en zweefmolens. Deze openbare speelplaatsen hebben grote invloed gehad op het gymnastiekonderwijs, omdat daar zichtbaar werd voor onderwijzers hoe kinderen zich met gymnastiek en spel bezig hielden. In 1900 zijn er 64 gymzalen, in 1960 1.500. Daarna gaat het snel. In de jaren zestig alleen al worden er 1.350 gymzalen gebouwd, net zoveel als in de honderd jaar ervoor. Vanaf 1970 is er een explosie van sporthallen en van sportzalen en gymnastieklokalen in het voortgezet onderwijs.

De bouw van accommodaties voor LO is lange tijd een traditionele aangelegenheid. Vorm, afmeting en inrichting werden sterk door het turnen bepaald en gymzalen werden standaard gebouwd en ingericht conform vigerende normen voor ruimten voor bewegingsonderwijs. Richtinggevend was enige tijd het boekje dat architect Wils, Gaulhofer en Van Schagen in 1941 voor het lager en middelbaar onderwijs schreven toen lichamelijke opvoeding verplicht werd. Vanaf de jaren tachtig onstond, vooral door vakinhoudelijke ontwikkelingen, Arbo-eisen en technische ontwikkelingen meer differentiatie in de bouw. Bij scholengemeenschappen verrezen naast gymzalen grotere sportzalen met scheidingswand. Zo kreeg ook de schoolsport ruimte.
Vanaf de zestiger jaren werden schoolsportvelden en verharde oefenplaatsen aangelegd of konden VO-scholen gebruikmaken van gemeentelijke sportvelden. Bij lagere scholen werden schoolpleinen en soms trapveldjes aangelegd. Vanaf die tijd werden basisscholen uitgerust met een speellokaal voor de kleuters.

Ook de inrichting van gymnastiekzalen was lange tijd traditioneel en vertoont nog steeds trekken van de oudste inrichtingslijst (kosten: 259,50 gulden) die de Duitse turnleraar C. Euler in 1853 publiceerde. Een foto uit 1925 van de gymzaal van het Amsterdams Lyceum (zie hiernaast) laat nog veel herkenbaars zien.
Ook hier kwam vanaf de jaren tachtig verandering in. Spel- en zaalsporten kregen veel meer aandacht. Er werd minder klassikaal en meer in groepen en op verschillende niveaus gewerkt. Alle leerlingen moesten actief kunnen zijn. Het materiaal moest makkelijk hanteerbaar en combineerbaar zijn. Omdat toestellen heel andere functies kregen dan waarvoor ze ooit ontworpen waren, speelden toestelfabrikanten hier handig op in. Er waren veel nieuwe ontwikkelingen; een variatie aan balmateriaal, rackets, zaalhockeysticks met platte kanten, balanceertonnen en skateboards, matten, elektrisch bedienbare wandrekken en ophijssystemen voor ringen, touwen en verschuifbare werkbalken en klimwanden. Vanaf 2000 werden inventarislijsten voor het eerst gepresenteerd als voorbeeld- en keuzelijsten gerelateerd aan leerlijnen en bewegingsthema's.

Uit oogpunt van veiligheid, bewegingsvrijheid en hygiëne werd het dragen van sportkleding en schoeisel tijdens gymlessen gemeengoed. Vanaf de zestiger jaren leidde dit op veel scholen tot uniforme herkenbare sportkleding. Vanaf de jaren tachtig waren er verhitte discussies op scholen, in vakwereld en pers over hoofddoekjes, kleding en douchen tijdens gymlessen. Er volgden diverse publicaties in de Lichamelijke Opvoeding met aanwijzingen over het veilig dragen van hoofddoekjes. Bedekkende, soepele kleding en apart ontworpen kleurrijke sporthoofddoekjes temperen de discussie. Gewenning zal daarbij op termijn beslist een rol spelen.

Het vak bouw en inrichting is op de opleidingen na 1945 goed van de grond gekomen, maar is vanaf de jaren tachtig weer op de achtergrond geraakt. De KVLO vervult nog steeds een belangrijke rol in voorlichting, advisering en ontwikkeling van richtlijnen, normen en kwaliteitseisen voor sportruimtes met onderwijsgebruik, misschien juist wel omdat er steeds minder voorschriften zijn en er van overzichtelijkheid, waar Wils ook in 1941 over sprak, nog nauwelijks sprake is.

Literatuurverwijzingen

  • Graafland, N.M. (1937). 1862-1937 Historische schets van de wording, het leven en werken der Vereeniging. In: 1862-1937 Na 75 jaar. Zeist: Jan Luiting Fonds, No.12 p. 3-158.
  • Kramer, J.P. en Kugel, J. (1966). Geschiedenis van de lichamelijke opvoeding in Nederland. Zeist: Jan Luitingfonds.
  • Poel, H. van der (2001). De gymnastiekaccommodatie. Gebruik, waardering, toekomst. Tilburg: Departement Vrijetijdswetenschappen, KUB, 112 p.
  • Wils, J., Gaulhofer, K.L. en Schagen, K.H. van (1941). De gymnastiekzaal en de oefenplaats voor scholen. Alphen aan den Rijn: Samsom N.V.
  • Poel, H van der, e.a. Sportaccommodaties in Nederland. Kaarten en kengetallen. 2016 Mulier Instituut, Utrecht/Arko Sports Media, Nieuwegein


Auteur: Baukje Zandstra (versie 2012 en 2018)

Het ‘opblaasbaar reuzenluchtbed’ bood in 1970 nieuwe mogelijkheden voor bewegingstherapie, sport en lichamelijke opvoeding.
Bron: Beeld en Geluid
Tijdelijk in de ban.

Tijdelijk in de ban

De eerste inrichtingslijst uit 1853.

Inrichtingslijst Euler

Vanaf de jaren zestig is er meer aandacht voor spel- en zaalsporten.

Meer aandacht voor zaalsporten

Gymzaal Amsterdams Lyceum 1925.

Gymzaal Amsterdams Lyceum

Personeelskaart ALO-Amsterdam.

Personeelskaart Jan Wils (ALO-Amsterdam)