Venster

Interfaculteit Lichamelijke Opvoeding

De universitaire studie in de lichamelijke opvoeding: een moeizame zaak

1971 Verdiepingen Biografieën Vensters Popups
  • Elf hoogleraren
  • Lectoren
  • studierichtingen bewegingswetenschappen in Nijmegen, Maastricht en Groningen.
  • andere bijzondere leerstoelen op het bredere terrein van sport en bewegen
  • andere hoogleraren langdurig actief geweest
  • Gymnologisch Instituut
De lichamelijke opvoeding kent een lange en moeizame weg naar erkenning door de Nederlandse universitaire wereld. In de twintiger jaren van de vorige eeuw werden dr. J.H.O. Reys en dr. W.P. Hubert van Bleijenburgh benoemd tot privaatdocenten in de wetenschap van de lichamelijke opvoeding te Leiden en Utrecht. In 1962 werd drs. H. Broeren aangesteld als buitengewoon lector in de pedagogiek (i.h.b. de lichamelijke opvoeding) te Nijmegen. Een jaar later overleed Broeren en volgde de benoeming van dr. C.C.F. Gordijn tot buitengewoon lector in de leer van het menselijk zich bewegen aan de Subfaculteit Opvoedkunde van de Vrije Universiteit te Amsterdam. Gordijn legde vervolgens de fundamenten voor de Interfaculteit Lichamelijke Opvoeding, die in 1971 werd opgericht.

Bijzondere leerstoel - Stichting voor de Wetenschap
In 1960 erkende de overheid de behoefte aan een universitaire studie lichamelijke opvoeding en sport. Minister mr. J. Cals benoemde de commissie Universitaire studie lichamelijke vorming. Het positieve advies van de commissie was voor de vakwereld aanleiding om in 1967 de Stichting voor de Wetenschap van de Lichamelijke Opvoeding en de Sport op te richten. In deze stichting werkte de Nederlandse Sportfederatie (NSF) samen met de twee vakorganisaties KNVLO en St. Thomas van Aquino . Het doel van de stichting was om zo snel mogelijk te komen tot het aanstellen van een bijzonder hoogleraar.
De Rijksuniversiteit Utrecht stemde in met het voorstel tot het oprichten van een bijzondere leerstoel en in maart 1969 benoemde het College van Curatoren van die universiteit dr. K. Rijsdorp als eerste bijzonder hoogleraar in dit nieuwe vakgebied binnen de faculteit Sociale Wetenschappen. Voor Rijsdorp moest er tussen de wetenschap en het praktijkveld een innige band bestaan. Hiertoe werd het Gymnologisch Instituut opgericht. In Utrecht fungeerden na Rijsdorp (1969-1979) achtereenvolgens dr. H. Pijning (1979-1990), dr. A. Vermeer (1991-1998) en dr. A. Knoppers (2005-2011) als bijzonder hoogleraar. In 1997 ontstond ook aan de Universiteit van Tilburg de mogelijkheid een bijzonder hoogleraar aan te stellen. Hier was van 1997 tot 2008 prof. dr. P. De Knop actief, die al hoogleraar was aan de Vrije Universiteit van Brussel. In 2013 accepteerde de Universiteit Utrecht een nieuw voorstel van de KVLO en het Hogescholen Sport Overleg voor het instellen van een bijzondere leerstoel Pedagogiek en Onderwijskunde van Lichamelijke Opvoeding. De universiteit stemde in met de benoeming van dr. K. de Martelaer tot hoogleraar. Een aanstelling als bijzonder hoogleraar betrof steeds een deeltijdaanstelling van een of twee dagen. Daardoor konden de betrokkenen slechts beperkt tijd besteden aan onderwijs en onderzoek en was hun invloed vaak beperkt. Door voordrachten, begeleiding van promoties en adviesfuncties droegen zij desondanks zeker bij aan de verbetering van de kwaliteit van de lichamelijke opvoeding en de sport.

Interfaculteit Lichamelijke Opvoeding - Bewegingswetenschappen
De eerdergenoemde lector C.C.F. Gordijn werd in 1969 benoemd tot gewoon hoogleraar 'in de leer van het menselijk zich bewegen' aan de Subfaculteit Opvoedkunde van de Vrije Universiteit. Hij stond, samen met prof. dr. F. van Faassen (Instituut voor Biomechanica en Revalidatie Geneeskunde aan de VU) aan de basis van de oprichting van een Interfaculteit Lichamelijke Opvoeding (IFLO) in 1971.
De IFLO ontwikkelde zich voorspoedig, met een breed opleidingsprogramma. De vakgroep Bewegingsagogiek leverde afgestudeerden af die onderwijs- en beleidsfuncties gingen bekleden in de lichamelijke opvoeding en de sport. Na een reorganisatie in 1987 hield de vakgroep Bewegingsagogiek op te bestaan en werd de Interfaculteit Lichamelijke Opvoeding een Faculteit Bewegingswetenschappen (in 2015 gefuseerd met de faculteiten Psychologie & Pedagogiek tot de Faculteit Gedrags- en Bewegingswetenschappen). In de jaren tachtig van de vorige eeuw ontstonden ook studierichtingen bewegingswetenschappen in Nijmegen, Maastricht en Groningen. Waar, bij de studies bewegingswetenschappen het accent in onderwijs en onderzoek verschoof naar gezondheid, bewegen en sport, kwamen vanaf 2015 bij de hogescholen masterstudies tot ontwikkeling die op verschillende plaatsen (Eindhoven, Zwolle, Groningen) expliciet ook opleidden voor masterfuncties in het (bewegings)onderwijs.

Onderzoek op het brede terrein van sport, bewegen en onderwijs
Naast de veelal medisch biologisch georiënteerde leerstoelen bij bewegingswetenshappen werden na 1990 diverse andere bijzondere leerstoelen op het bredere terrein van sport en bewegen in het leven geroepen, onder meer voor rechtsgeleerdheid, economie en sportontwikkeling. In 2006 werd de Stichting voor de Wetenschap van de Lichamelijke Opvoeding en de Sport opgevolgd door de Stichting Bevordering Sociaal Wetenschappelijk Sportonderzoek. Alle bijzondere leerstoelen werden daarin ondergebracht maar al in 2010 weer overgeheveld naar het in 2002 gestarte W.H.J. Mulier Instituut, centrum voor sociaal-wetenschappelijk sportonderzoek. Ook het bewegingsonderwijs behoort tot het werkterrein van dit instituut.
Uit de publicatie Sportonderzoek in beeld (Breedveld et al., 2010) blijkt dat er in Nederland in 2010 al 34 hoogleraren waren met een verantwoordelijkheid voor sportonderzoek, waarvan zeven bijzondere. Bij elf hoogleraren werd sport genoemd in hun taakomschrijving. Naast deze en reeds eerdergenoemde hoogleraren zijn ook andere hoogleraren langdurig actief geweest op het brede terrein van sport en bewegen (Breedveld et al., 2010). Na de eeuwwisseling gaan naast hoogleraren lectoren in toenemende mate een rol spelen bij het wetenschappelijk onderzoek op het terrein van sport en (bewegings)onderwijs.

Tenslotte hebben vanaf 2010 belangrijke veranderingen plaatsgevonden in de programmering en financiering op het gebied van sport en leren bewegen. Er zijn verschillende onderzoeks- en kennisagenda’s gepubliceerd voor dit kennisgebied en de financiering wordt gestroomlijnd door meerjarenprogamma’s van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO), Regieorgaan Stichting Innovatie Alliantie (SIA), ZonMw, en het Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek (NRO).

Literatuurverwijzingen
Links

Auteurs: Jan Bovend'eerdt en Wim de Heer (versie 2014).
Jo Lucassen (versie 2021)
Logo VU Amsterdam ten tijde van de oprichting van de IFLO

Logo VU Amsterdam

Commissie Universitaire Studie Lichamelijke Vorming.

Commissie Universitaire Studie Lichamelijke Vorming

Voorkant van het boek met de inaugurale rede (7-6-1885) van Han Kemper, hoogleraar aan de VU met een opdracht onderwijs te geven aan de IFLO.

Inaugurale rede H. Kemper

Het eerste bestuur van de Stichting voor de Wetenschap van de Lichamelijke Opvoeding en de Sport, v.l.n.r., A. Feith, J.P. Kramer en E. Seebregts.

Het eerste bestuur van de Stichting

Informatiebrochure studie bewegingswetenschappen aan de VU Amsterdam (1995).

Brochure studieinformatie

Laboratoriumonderzoek naar bewegen en gezondheid.

Laboratoriumonderzoek

Briefhoofd.

Briefhoofd