Canonlo

Kan, Jan

Bruggenbouwer tussen praktijk en theorie

Jan Cornelis Kan werd op 10 december 1923 in Bolsward geboren. Hij groeide op in een sterk onderwijs- en sportgericht milieu, met zijn vader Cornelis Kan als grote inspirator. Op het gebied van turnen, veldhandbal, atletiek en volleybal deed hij mee in de top van Friesland. Hij werd diverse keren Fries kampioen (turnen en atletiek), kwam uit in regionale teams en speelde drie keer in het Nederlands veldhandbalteam.

Ontwikkeling tot vakman en didacticus
Na de middelbare school aan de Rijks HBS in Sneek studeerde Kan vanaf 1941 aan de ALO-Amsterdam. Na het behalen van de akte MO-P in 1944 kreeg hij (tot 1961) een aanstelling aan de Rijks-HBS in Sneek, de school waar hij zelf ooit leerling was. Hij werkte tevens aan het Stedelijk Gymnasium in Sneek (1957-1961) en de openbare ULO in Bolsward (1950-1955). Van 1959 tot 1961 verzorgde hij de vakken methodiek, zaalspel en klein terreinspelen aan de lagere akte LO.
In zijn vrije tijd volgde Kan vele nascholingscursussen vooral op het gebied van didactiek en methodiek. Hij gaf leiding, soms samen met zijn vader, aan vele verenigingen, waaronder Thusnelda Greate Pier (TGP) in Sneek (tegenwoordig ATC Sneek).

Bruggenbouwer tussen praktijk en theorie 1
In de jaren vijftig werd Kan betrokken bij de vermaarde Paalbergconferenties. Als gastdocent en lid van de staf demonstreerde hij, tot enthousiasme van de aanwezigen, hoe praktijk en theorie met elkaar konden worden verbonden.
In 1961 werd Kan, op uitnodiging van rector G. Groenman, docent aan de ALO-Groningen. Hij was daar docent turnen, spel, didactiek en theorie van de lichamelijke opvoeding, en vanaf 1966 tot 1984 tevens conrector. Daarnaast was hij secretaris van de afdeling Friesland van de KVLO (1951-1961), secretaris van het technisch bestuur van de turnkring Friesland en lid van de Sportraad in Groningen (1965-1985).
Tijdens zijn ALO-tijd schreef Kan diverse
artikelen over diverse onderwerpen

Artikelen over diverse onderwerpen

Een aantal voorbeelden is:
  • Zo maar een verhaal (1976);
  • Schriftelijk examen, taal- en stijlbloempjes (1976);
  • Lichamelijke Opvoeding in Nederland 1977);
  • Impressies van een toelatingstoetsing (1978);
  • Kan-tekeningen (1984);
  • Als het tij verloopt verzet men de bakens (1984);
  • Hij niet? Zo niet! (1984);
  • Commentaar op kritiek oud-studenten (1984);
  • Balans en perspectief (1985);
  • Gymnastiek en turnen (1986: 3 artikelen);
  • Het gebruik van materiaal (1986/1987: 10 artikelen);
  • Op zoek naar verborgen vakmanschap (1987);
  • Over monstruositeiten (1987;
  • Geven wij de geest.... of krijgen wij de geest (1988);
  • Willen en kunnen (1988);
  • Het begin van de les I, II, III (1988);
  • Open brief aan onze Avant-Garde (1989);
  • Gebruik, mis-gebruik, misbruik van materiaal (1989).
in Lichamelijke Opvoeding, in Richting en in Het Turnblad. Ook hield hij regelmatig inleidingen en verzorgde hij vele demonstraties tijdens afdelingsbijeenkomsten van de KVLO, studiedagen van Thomas van Aquino, de Amsterdamse Studiedagen en de Twentse Studiedagen. Opvallende rode draad in al die activiteiten was zijn streven naar
integratie van theorie en praktijk

Integratie theorie en praktijk

Kan wilde een duidelijke en herkenbare verbinding leggen tussen praktijk en theorie. Theoretici en practici kunnen niet zonder elkaar: ze putten immers beiden hun inspiratie uit het fenomeen van de opgroeiende, zich bewegende mens. De noodzaak van afstemming tussen theorie en praktijk heeft Kan, als systeemdenker, altijd bezig gehouden. Zoals zijn vader was geïnspireerd door A. Spies, A. Maul en de Zweedse gymnastiek van W.P. Hubert van Blijenburgh, zo was Kan zelf aanhanger van het Natürliches Turnen van K. Gaulhofer en M. Streicher van de Oostenrijkse School. Hij had zelf les gehad van Gaulhofer en bij een bezoek aan een internationaal congres in Wenenontmoette hij Streicher. Hij vond in haar een zielsverwant in het streven de theorie zinvol in praktijk te brengen. Gelijktijdig met het teruglopen van de invloed van de Oostenrijkse School in Nederland ontstond het begin van de zelfstandige doordenking van de lichamelijke opvoeding door G. Groenman en C. Gordijn. Hun filosofische grondslagen waren van een heel andere orde dan tot dat moment gebruikelijk was.
.

‘Wat Kan kan, kan Kan alleen’
‘Wat Kan kan, kan Kan alleen.’ Dit was een bekend gezegde in Groningen. Het had niet alleen betrekking op de cabareteske ‘
(achternaam)verhalen

(achternaam)verhalen

In deze ‘verhalen’ deed Kan op cabareteske wijze verslag van een (gefingeerde) gebeurtenis, waarin alle achternamen van betrokkenen (studenten) humoristisch-taalkundig waren verwerkt.
’ en liedteksten, die Kan voordroeg tijdens skikampen, vakbijeenkomsten, afscheidbijeenkomsten van collega’s en ieder jaar in de sociëteit van studentenvereniging Mesacosa bij het afscheid van de vierdejaars. Het sloeg ook op het bijzondere van zijn lessen. Studenten van de ALO-Groningen waren daar in het algemeen vol lof over. Kan gaf hen, recht door zee, duidelijke en concrete richtlijnen waarmee zij in de praktijk aan het werk konden. Op velen heeft hij hiermee decennialang een diepe indruk gemaakt.

Bruggenbouwer tussen praktijk en theorie 2

Aan de ALO in Groningen was Kan vooral van betekenis voor de praktische en didactische kant van de opleiding. Hij droeg in hoge mate bij aan de inhoudelijke ontwikkeling van de ALO en zette zich in voor een ‘Groninger onderwijsvisie’, in casu het naar een doelmatige, herkenbare en uitvoerbare praktijk vertalen van de theorie van rector G. Groenman.
In de periode 1960-1985 benoemde het latere directiedriemanschap van de ALO (Jan Bos, Jan Kan, Martin Haak) de vak- en lesdoelstellingen met de ‘3 K’s’: accenten op Konditie, Kunnen en Kontakt. Aan de hand van de ‘3 K’s’ werd, in combinatie met de aspecten ‘beleving’ en ‘plezier’ en naast het open staan voor wensen van leerlingen, inzichtelijk gemaakt dat in de lessen lichamelijke opvoeding theoretische doelstellingen in de praktijk gebracht konden worden. Het trio probeerde hiermee handen en voeten te geven aan de ‘
theorie van Groenman

Theorie van Groenman

Voor informatie over de ‘theorie van Groenman’ zie venster 1948 en ook:
  • Stegeman, H. (2000). Belang van bewegingsonderwijs. Over legitimatie en algemene doelstellingen van het schoolvak lichamelijke opvoeding. Zeist: Jan Luiting Fonds, p. 32-33.
  • Kugel J. (1976). De theorie van Groenman. De Lichamelijke Opvoeding, 64, 62-67.
  • Kramer, J.P. en Lommen, N. (1987). Geschiedenis van de lichamelijke opvoeding in Nederland. Zeist: Jan Luiting Fonds. 1987. 284 p. 124-129.
’, die destijds samen met Carl Gordijn het nieuwe denken bepaalde. Die ‘theorie van Groenman’ was, net als de invloeden van het existentialisme en de fenomenologie, altijd een ‘hot item’ tijdens de docentenvergaderingen van de ALO Groningen. Het bleek in die tijd voor het docententeam namelijk een lastige klus om Groenmans ideeën te vertalen naar een praktijkvisie van de ALO Groningen. Uiteindelijk formuleerde Kan in de tweede helft van de jaren tachtig zijn Synthese tussen theorie en praktijk op de Groningse ALO. Hierin is ook zijn doelstellingenschema voor de lichamelijke opvoeding opgenomen.

Ook actief als erelid
Jan Kan kreeg bij zijn afscheid van de ALO in 1984 voor zijn verdiensten het erelidmaatschap van de KVLO en van Mesacosa toegekend. Eenmaal met pensioen bleef Kan actief en zocht met zijn ‘Kan-tekeningen’ de pers bij negatieve berichtgeving over het vak en bij bepaalde beleidsontwikkelingen.

Literatuurverwijzingen

  • Kramer, J.P. en Lommen, N. (1987). Geschiedenis van de lichamelijke opvoeding in Nederland. Zeist: Jan Luiting Fonds, p. 180-181.


Auteurs: Herman Rotting en Kees van Tilborg