Canonlo

Lubach, Douwe

Hygiënist en deskundig pleitbezorger voor invoering en verbetering van het gymnastiekonderwijs

Douwe Lubach aanschouwde op 25 december 1815 het levenslicht in het Friese Dokkum. Na te zijn
verhuisd naar Haarlem

verhuisd naar Haarlem

Lubach verhuisde naar Haarlem omdat zijn vader benoemd werd als conrector aan de Latijnse School.
doorliep hij daar achtereenvolgens met succes de
Latijnse en de Klinische School

Latijnse en de Klinische School

De latijnse school was een vóór de 19de eeuw in heel Europa wijd verbreid schooltype, dat uitsluitend jongens (afkomstig uit de hogere middenklasse) voorbereidde op een religieus ambt of een studie aan een universiteit.

De Klinische School is een verkorte en veelvuldig gebruikte term ter vervanging van de officiële onderwijsinstelling: ‘Genees-, heel- verloskundige en artsenijmengkundige school’. Opgericht bij K.B. in 1823.
. Zijn docenten typeerden hem als een leerling 'met goeden aanleg, uitmuntend geheugen en grooten werklust'.
Lubach werd in 1836 aangesteld tot 'stedelijk heelmeester' in Haarlem. Hij zette zijn studie voort aan de universiteit van Groningen en en promoveerde, op een in het latijn geschreven proefschrift, tot 'Medicinae Doctor'. Vervolgens vestigde hij zich als 'praktiserend geneesheer,' ook weer in Haarlem (tot 1866).
Vanwege zijn grote capaciteiten bekleedde Lubach diverse functies. Zo stelde de Kroon hem in 1868 aan als '
Geneeskundig Inspecteur

Geneeskundig inspecteur

In 1866 werd Lubach benoemd tot geneeskundig adjunct-inspecteur in de provincie Noord-Holland. Na twee en een halve maand werd hij Geneeskundig-inspecteur voor Overijssel en Drente. In deze laatste functie was Lubach belast met het doen van onderzoek naar de toestand van de volksgezondheid en het toezicht op de naleving van wetten en verordeningen op dat gebied.
' met als standplaats Kampen. Hij overleed op 11 oktober 1902 aldaar, 'bekend, bemind en geacht bij een grote kring van landgenoten'.

Hygiënist
Vanaf rond 1850 wezen sommige medici uit de groep van de 'hygiënisten' in diverse
tijdschriften

Tijdschriften

Voorbeelden van deze tijdschriften zijn: Schat der Gezondheid; Geneeskundige Courant; Nederlandsch Weekblad voor Geneeskundigen.
op het belang van het gymnastiekonderwijs als onderdeel van de opvoeding. Eén van hen was Douwe Lubach. Als geneeskundig inspecteur en gemeenteraadslid was hij van grote betekenis voor de gymnastiek. Zijn streven was van de gymnastiek, een onderwijsvak dat nog nauwelijks bestond en veel weerstanden opriep, 'een volkszaak' te maken. Het vak diende, zo vond hij, vooral bij te dragen aan de verbetering van de fysieke gesteldheid van jongens èn meisjes. Maar Lubach moest al snel concluderen dat 'zelfs de ware aard en het doel der gymnastiek door slechts weinigen voldoende wordt begrepen, en dat daarom ook de belangstelling, die zij hier en daar ondervindt, slechts gering en uit den aard der zaak voorbijgaande is, terwijl hare beoefening over 't geheel wordt verwaarloosd of voor 't minst in kwijnende toestand verkeert'.
Tevens stelde hij vast dat het gymnastiekonderwijs op methodisch terrein nog wel voor verbetering vatbaar was. Van uniformiteit op dit gebied was totaal geen sprake. Hij pleitte bovendien voor een op anatomische, fysiologische en hygiënische grondslagen gefundeerde gymnastiek. Lubach, die theoretische gymnastiek examineerde bij de examens voor middelbaar en lager onderwijs, vond dat het doel en de betekenis van het gymnastiekonderwijs beter moesten worden geformuleerd, zodat een breder publiek de invoering van het vak zou gaan steunen. Hij was optimistisch en verwachtte dat wanneer kinderen op de lagere school goed gymnastiekonderwijs zouden krijgen, ze op oudere leeftijd zelf lichaamsoefeningen zouden gaan bedrijven.

Publicaties
Lubach schreef een theoretische handleiding: Ontleedkundig en fysiologisch handboek voor aanstaande gymnastiekonderwijzers. (1863). Dit werk werd veel geraadpleegd en kreeg diverse herdrukken. Maar daar bleef het niet bij. Lubach heeft in vele publicaties een krachtig pleidooi gehouden voor het gymnastiekonderwijs, vooral voor goede opleidingsinstituten. Hij stelde vast dat het onderwijs eenzijdig op de intellectuele en zedelijke vorming van kinderen was gericht en dat daarbij de lichamelijke ontwikkeling werd verwaarloosd. Dit kwam tot uiting in het lesrooster: 28 of meer uren 'voor het verstand' en 2 uren voor 'het lichaam'. Hij pleitte voor minstens anderhalf uur per dag 'lichaamsoefening' en handenarbeid; 'Elke andere regeling is knutselwerk en slechts een lapmiddel'. Voldoende tijd voor lichamelijke oefening zou leiden tot 'minder geleerde en meer gezonde, sterke menschen' en tot 'een weerbaar volk' ('Geen moediger soldaat, dan een zich zijn kracht bewuste'). Het zou voorts bijdragen tot de ontwikkeling van 'zelfvertrouwen, wilskracht en tucht'.

Waardering en betekenis
Geen wonder dat de 'Vereeniging van Gymnastiekonderwijzers in Nederland' (VGON) Lubach in 1866 al tot erelid benoemde. Daarmee was hij het eerste erelid van de vereniging!
Maar Lubach kreeg niet alleen in Nederland veel waardering, ook in België nam men kennis van zijn vele publicaties. Het orgaan van de Belgische Turnbond (1 juli 1882 no. 26) heeft als motto een uitspraak van Lubach: 'De gezonde mensch bezit een natuurlijken drang tot krachtige en veelzijdige lichaamsoefeningen'.
Dat de activiteiten van deze
veelzijdige wetenschapper

Veelzijdige wetenschapper

Lubach was o.a. deskundig op het gebied van de letteren, de dierkunde en de techniek.
tijdens zijn leven door velen in binnen- en buitenland zeer gewaardeerd zijn, moge ook blijken uit zijn vele benoemingen en onderscheidingen. Zo heeft het koning Willem III in 1867 behaagd hem te bevorderen tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw. In Veendam (1882:‘Lubach’) en Den Haag (1882: ‘Turn- en Schermvereeniging Lubach) werden zelfs gymnastiekverenigingen naar hem genoemd.
Mede door toedoen van Lubach is de aandacht voor de medische gymnastiek binnen de lichamelijke opvoeding toegenomen. Vooral dankzij pioniers als hij kwam de gymnastiek op een positieve wijze in de belangstelling van de regering te staan. Dat heeft geleid tot de opname van het vak onder de facultatieve en de verplichte onderwijsvakken respectievelijk bij de herziening van de lagere onderwijswet (1857) en de wet op het middelbaar onderwijs (1863). Dat ‘was aan Lubach en zijne geschriften te danken’ (Harting, 1882).

Voor een uitgebreide literatuurlijst zie Literatuurverwijzingen


Auteur: Jaap Tuinenga