Canonlo

2000

2001

2005

Leergang vakbekwaamheid bewegingsonderwijs via Pabo

Het basisonderwijs en de vakleraar: een voortdurende strijd om kwaliteit

De onderwijzer
In het
basisonderwijs

basisonderwijs

Tot 1985 de lagere school geheten, vanaf 1998 wordt het primair onderwijs genoemd.
hebben de groepsleerkrachten altijd het onderwijs in alle vakken gegeven. Van oudsher had iedere onderwijzer de hele week zijn eigen klas. De onderwijzer kende de kinderen erg goed. Voor lichamelijke opvoeding was het nodig op de opleiding (kweekschool, pedagogische academie) de aantekening-j te halen en daarnaast bestond de mogelijkheid een lagere akte te halen, de zogenaamde Akte-j. Ook voor enkele andere vakken konden soortgelijke akten van bekwaamheid worden gehaald. De onderwijzers die de Akte-j behaalden, gaven vaak een aantal jaar aan verscheidene klassen de gymlessen, maar over het algemeen werden ze niet gezien als vakleerkrachten. Veel van hen richtten zich na een aantal jaar volledig op het werk in de klas en gaven alleen de gymlessen aan hun eigen klas. Met de invoering van de Pedagogische Academie voor het Basis Onderwijs (pabo) en de basisschool in 1985, verdween de aantekening en kort daarna de Akte-j (laatste examens op 11 en 12 oktober 1990).

Specifieke deskundigheid
De vraag of de lichamelijke opvoeding gegeven moet worden door een klassenonderwijzer of een vakonderwijzer, werd in 1927 al gesteld. In de twintigste eeuw ontstond in verschillende
gemeenten

gemeenten

Vooral in een aantal grote steden als Amsterdam, Den Haag, Rotterdam, Enschede en Utrecht.
het idee dat het voor enkele vakken belangrijk is vakleerkrachten te hebben. Dit moesten gespecialiseerde leerkrachten zijn, die van alle recente ontwikkelingen in het vakgebied op de hoogte waren, die het belang van het vak inzagen en echt iets van de lessen wilden maken. Zo kwamen er vakleerkrachten voor
lichamelijke opvoeding

Lichamelijke opvoeding

Er kwamen ook vakleerkrachten voor handenarbeid en muziek, maar hun aantal was geringer.
. Een groot aantal gemeenten financierde vakleerkrachten voor de groepen (6,) 7 en 8 van de basisschool, maar vooral de grote steden zorgden dat het mogelijk werd dat de groepen 3 tot en met 8 van de basisschool alle lessen kregen van de vakleerkracht. De grote steden kregen eigen gemeentelijke
inspecteurs

inspecteurs

Bijvoorbeeld W. Halsema (Enschede), K. Van den IJssel (Den Haag) en B. Mirck (Amsterdam). In deze steden werden in de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw projecten uitgevoerd om de kwaliteit van de lichamelijke opvoeding (nog verder) te verbeteren.
voor lichamelijke opvoeding, zoals Bob Mirck in Amsterdam.
In die tijd groeide de opvatting dat in ieder geval voor de lichamelijke opvoeding vakleerkrachten belangrijk zijn. Differentiatie in de lessen werd belangrijker, er kwamen nieuwe gymnastiekmaterialen die een grote deskundigheid vereiste, veel kinderen waren tegelijkertijd actief in de les (onder andere door het werken in groepen) en de veiligheid voor de kinderen vroeg een steeds grotere deskundigheid. Daarnaast was er een discussie over de overladenheid van het programma van de pabo's. De combinatie van deze twee factoren leidde tot een initiatief van Jan Rijpstra, lid van Tweede Kamer, om de bevoegdheidsregeling te veranderen. Met steun van de Tweede Kamer werd in 1998, onder staatssecretaris T. Netelenbos, besloten dat de pabo's alleen nog zouden gaan opleiden voor lichamelijke opvoeding voor de groepen 1 en 2 van de basisschool; de kleuters. Groepsleerkrachten die wel affiniteit met de lichamelijke opvoeding hadden, konden via een grotendeels post-initieel programma (Leergang vakbekwame leraar bewegingsonderwijs via pabo) hun bevoegdheid voor lichamelijke opvoeding halen. Enkele jaren later werd dit omgezet in
wetgeving (2001)

wetgeving (2001)

In deze wet staat dat iedereen die na 1 september 2001 met de pabo begint, uitsluitend nog de bevoegdheid krijgt voor het geven van lessen bewegingsonderwijs aan de groepen 1 en 2. Hiermee is het moment waarop deze wet effect krijgt niet scherp aan te geven. Studenten die op de normale pabo zaten, deden vier jaar over de opleiding, waardoor tot 2005 nog afgestudeerden van de opleiding kwamen met een brede bevoegdheid voor alle vakken. In deze tijd waren er echter ook veel deeltijd en/of verkorte pabo’s die bijvoorbeeld al gediplomeerden in 2003 afleverden zonder de bevoegdheid voor bewegingsonderwijs aan de groepen 3 tot en met 8.
.

Vermindering omvang leergang
In 2008 is onder invloed van schoolbesturen en directies een kwart van de leergang afgehaald. Op veel scholen werd het als lastig gezien dat niet alle leerkrachten aan hun eigen klas bewegingsonderwijs mochten geven. Een deel van deze scholen verplichtte daarom nieuw aangenomen leerkrachten om de leergang te gaan volgen. Omdat dit bedoeld was voor leraren met affiniteit en competenties op dit terrein, was dit niet voor iedereen makkelijk haalbaar. De vermindering van de omvang heeft de periode waarbinnen de leergang afgerond kan worden overzichtelijker gemaakt, maar het blijft een zware opleiding. De insteek van de leergang is om vakspecialisten op te leiden met kennis van het curriculum en vaardigheid in het begeleiden van alle kinderen in bewegingssituaties. De vakvereniging KVLO sluit hierbij aan door deze leraren gelegenheid te geven lid te worden als ze minimaal 0,2 fte bewegingsonderwijs verzorgen aan meer groepen.

Herziening leergang in 2018
In 2018 is het opleidingskader herzien. Grote delen van het oude kader zijn gebleven, nieuwe accenten komen voort uit de invoering van
passend onderwijs

Passend onderwijs

De Wet passend onderwijs is in 2014 ingevoerd en gaat over het stelsel van voorzieningen voor leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben. Het doel is dat voor alle leerlingen met een specifieke onderwijsbehoefte zo passend mogelijk onderwijs wordt gerealiseerd. Scholen hebben een zorgplicht voor kinderen met een specifieke onderwijsbehoefte.
, de vraag naar een integrale aanpak van bewegen en sport in en rond de school en aandacht voor veiligheid en aansprakelijkheid. De integrale aanpak van bewegen en sport in en rond de school krijgt vorm in een ontwikkellijn 'bewegen in de schoolomgeving' waarbij aandacht wordt geschonken aan bewegen in de pauze of na schooltijd en tijdens de lessen van andere leergebieden. De leergang blijft bedoeld voor cursisten die affiniteit hebben met het vak en een sleutelrol willen vervullen voor het bewegingsonderwijs op school. De borging van de kwaliteit kan slagen wanneer een leerkracht met de bevoegdheid voor bewegingsonderwijs ook daadwerkelijk wordt ingezet als vakspecialist.

Literatuurverwijzingen

  • Appelman, M., et al. (2008). Bewegingsonderwijs in het primair onderwijs. Zeist: Jan Luiting Fonds (nr. 96).
  • Berkel, M. van, et al. (2003). Leergang vakbekwaamheid bewegingsonderwijs via Pabo. Utrecht: LOBO.
  • Berkhoff, H. (1982). 'De vakonderwijzer lichamelijke oefening'. Lichamelijke Opvoeding, nr. 2: 76-79.
  • Diels, P.A. (1927). De noodzakelijkheid van den vakonderwijzer. Zeist: Publicatie-fonds van de Vereeniging voor gymnastiekonderwijzers L.O. en M.O. in Nederland.
  • Donkers, B., et al. (1999). Vakbekwame leraar bewegingsonderwijs via Pabo. Enschede: SLO.
  • Ensink, W. et al. (2018). Leergang vakbekwaamheid bewegingsonderwijs via pabo - Herzien opleidingskader. Verkregen via http://www.paboweb.nl/themas/3#section_567
  • Mooij, C., et al. (1999). De vakleraar lichamelijke opvoeding in het primair onderwijs. Zeist: Procesmanagement Primair Onderwijs.
  • Projectgroep Bewegingsonderwijs Amsterdam (1986). Spelen in het basisonderwijs, verslag van een studiedag.
  • Projectgroep Bewegingsonderwijs Amsterdam (1988). 'Introduktie in de bewegingskultuur', verslag studiedag 26 april 1988. Lichamelijke Opvoeding, nr. 11.


Auteur: Marco van Berkel (versie 2012 en 2019)

Examens kleutergymnastiek in Den Haag in 1941. Bron: Beeld en geluid