Canonlo

Gymnologie en lichamelijke opvoeding

(Venster: Een 'bijzonder' hoogleraar lichamelijke opvoeding)

De tekst van deze samenvatting van Rijsdorps ideeën over gymnologie en lichamelijke opvoeding is gebaseerd op het boek Gymnologie van K. Rijsdorp, 1977 (derde druk). De tekst is een bewerking van pagina's 47 tot en met 50 uit Lichameljike prestatiegeschiktheid en lichamelijke opvoeding door J. Bovend'eerdt (1981).

Met de term gymnologie duidt Rijsdorp 'de wetenschap aan die zich bezighoudt met de motorische actie in het kader van opvoeding en vorming'. Binnen het gymnologisch aandachtsveld vallen vijf sectoren, te weten de lichamelijke opvoeding, de sport, de bewegingsrecreatie, de lichamelijke vorming binnen maatschappelijke groeperingen en instituten alsmede de orthogymnologische en therapeutische sector. Wij richten ons verder op de uitwerking van de sector lichamelijke opvoeding. Rijsdorp definieert lichamelijke opvoeding als: 'pedagogische omgang in het veld van de beweging en de lichaamservaring' (p.35). Lichamelijke opvoeding wordt door Rijsdorp ruimer opgevat dan alleen als een gebeuren binnen het onderwijs. Wanneer hij de sector lichamelijke opvoeding binnen het gymnologisch aandachtsveld nader omschrijft meent hij: 'lichamelijke opvoeding beperkt zich niet tot de school, maar theorievorming en onderzoek op dit gebied vinden wel grotendeels op het terrein van het onderwijs plaats' (p.31). Rijsdorps tijdgenoot C. Gordijn kiest bewust voor de term 'bewegingsonderwijs'. Rijsdorp meent dat in deze term de pedagogische intentie van de leraar te weinig tot uitdrukking komt. Hij zegt: 'Voor mij behoeft onderwijs niet per se pedagogisch te zijn. De term lichamelijke opvoeding (…) laat zich daarom niet vervangen door de term bewegingsonderwijs' (p.235).
Rijsdorp acht de wijsgerige antropologie funderend voor de gymnologie. In zijn wijsgerig antropologische beschouwingen neemt het 'coherentiebegrip' een centrale plaats in. De mens is altijd individu-in-relatie. De gedragsbeweging kan dan ook gekarakteriseerd worden als een 'relatiewijziging van de mens tot zijn wereld'. Aan het in de wereld zijn van de mens onderscheidt Rijsdorp verschillende relatiemodaliteiten. De mens kan in relatie zijn met de dingen, met het dier, met de ander en met zichzelf. Er is sprake van een ik-ding-relatie, een ik-dier-relatie, een ik-gij-relatie en een ik-zelf-relatie. In de theoretische doordenking van de lichamelijke opvoeding bij Rijsdorp worden de volgende relaties nader uitgewerkt. De ik-ding-relatie welke zich manifesteert als de 'contactrelatie' (1), het tezamen zijn met de dingen, of als de 'objectrelatie' (2), het tegenover de dingen zijn. Verder de ik-gij-relatie welke leidt tot de 'dialoogrelatie' (3) en de ik-zelf-relatie, welke door Rijsdorp uitgewerkt wordt als de 'zelfrelatie' (4), het tegenover zichzelf zijn. De pedagogische intenties van de lichamelijke opvoeding kunnen gerubriceerd worden in overeenkomst met de hierboven genoemde vier relatiemodaliteiten. De overeenkomstige pedagogische intenties zijn:

Bewegingsvorming:
  1. Het voldoen aan en de instandhouding van de bewegingslust;
  2. De afstemming van ruimte, tijd en vorm en de ontwikkeling van het gevoel voor ritme;
  3. Het leren kennen van eigen bewegingsmogelijkheden;
  4. Het verkrijgen van bewegingszekerheid en de ontwikkeling van het houdingsgevoel;
  5. De verrijking en verruiming van het bewegingsarsenaal door het opdoen van bewegingservaring.

Prestatievorming:
  1. De bevordering van optimale verrichtingen door het aanleren van vaardigheden;
  2. Het zich leren richten op het bereiken van een prestatie (wilskracht, concentratie, doorzettingsvermogen, tegenwoordigheid van geest, zelfvertrouwen);
  3. Beheersing van emoties;
  4. Het leren kennen van eigen kunnen en eigen beperktheid;
  5. De bevordering van een verantwoorde instelling op de reële verhouding van prestatieniveau en prestatiegebied, in het dagelijks leven, in de maatschappij en in de sport.

Sociale vorming:
  1. De erkenning en aanvaarding van groepsregels en groepsnormen;
  2. De invoeging in functionele groepsstructuren, leren samenwerken, leiding aanvaarden en leiding geven, ook in emotionele sfeer;
  3. De ontwikkeling van het gemeenschapsgevoel, en de erkenning van de ander als persoon;
  4. Het leren verantwoordelijkheid nemen voor de ander, hulpverlening, bescherming en zelfverloochening;
  5. Het leren kennen en ervaren van actieve ontspanningsvormen voor de vrije tijd.

Lichaamsontwikkeling:
  1. De bevordering van de voorwaarden voor een goede houding en beweging en voor een optimale prestatie (uithoudingsvermogen, kracht en mobiliteit, ontspanning en spanning);
  2. De bevordering van de lichamelijke gezondheid en van de verantwoordelijkheid voor de eigen gezondheid door het bijbrengen van gezonde levensgewoonten (p.44, 45).

Dit zijn pedagogische intenties die nader geconcretiseerd moeten worden in onderwijsdoelstellingen en werkdoelen. Rijsdorp onderscheidt namelijk drie doelstellingenniveaus, te weten:
  1. De pedagogische intenties. 'Deze opvoedende bedoelingen zijn geen aanwijsbare eindpunten aan het eind van een te gane weg, zoals onderwijsdoelen en (in nog rechtstreekser mate) werkdoelen dit zijn. Zij zijn koersduidende richtpunten, die van invloed zijn op de werkwijze van omgang. Daarom spreekt hij bij voorkeur van 'pedagogische intenties' (p.91).
  2. De onderwijsdoelen. Hierop kunnen de keuze van activiteiten en de vorm van stofaanbieding afgestemd worden. 'De onderwijsdoelen hebben dus niet alleen een middenpositie tussen werkdoelen en pedagogische intenties, zij nemen ook een bemiddelingspositie in. Zij geven richting aan de praktijk van het bewegingsonderwijs, en zij vertalen de pedagogische intenties in onderwijskundig operationaliseerbare termen' (p.92).
  3. De werkdoelen. Zij zijn uitgedrukt in termen die de 'weg en de middelen' concreet benoemen. Zij zijn bijvoorbeeld uitgedrukt in termen als: 'het aanleren van de radslag', of 'het lay-up shot aanleren', etcetera.

Uit de pedagogische intenties kunnen doelen op lager niveau, bijvoorbeeld onderwijsdoelstellingen, niet rechtstreeks afgeleid worden. De hogere doelen zijn echter richtinggevend voor de omgang in het concrete praktijkveld, dit is de lijn van boven naar beneden in het doelstellingen-denken. Rijsdorp hecht ook waarde aan de lijn van beneden naar boven in het doelstellingen-denken. Volgens deze tweede lijn krijgen onderwijsdoelen en pedagogische intenties mede inhoud vanuit de praktijkervaringen. Uitgaande van beide lijnen in het doelstellingen-denken komt hij tot onderwijsdoelen die liggen op het gebied van 'beweging', 'vaardigheid', 'conditie', 'samenwerking' en 'attitude'.

De onderwijsdoelen geeft weer aan de hand van onderstaande items.

Beweging:
  1. Verrijking van het bewegingsareaal (initiatief, exploratie, ervaring, beschikbaarheid van oplossingsmethoden voor bewegingsproblemen, bewegingscontrole);
  2. Verfijning van de kwaliteit.

Vaardigheid:
  1. Leren en toepassen;
  2. Vrijetijdsactiviteiten.

Conditie:
  1. Oefening van motorische disposities (kracht, uithoudingsvermogen, lenigheid, snelheid, coördinatie).

Samenwerking:
  1. Functioneren in de groep;
  2. Hulpverlenen.

Attitude:
  1. Speelse attitude;
  2. Prestatieattitude;
  3. Respect en verantwoordelijkheid voor anderen;
  4. Verantwoordelijkheid voor eigen gedrag en eigen gezondheid (p.45).