Canonlo

Accenten in didactische aanpak / mengvormen van leereffecten

(Venster: Over de relatie tussen lichamelijke opvoeding en gezondheid)

Het leergebied bewegen en sport heeft steeds meer aandacht voor een gezonde en actieve leefstijl. Veelal wordt dan direct gedacht aan lessen met het accent op een hoge hartslag van de leerlingen zoals bij een Shuttle Run Test (Eurofittest) of een conditiecircuit. Het kan ook anders omdat het in een les l.o.zeer goed mogelijk is combinaties van leereffecten te realiseren. Afhankelijk van de leefbehoeften van kinderen en de opvattingen in het onderwijs kunnen immers accenten worden gelegd op cognitieve, sociale of emotionele leereffecten in combinatie met scholing van bewegingscoördinatie. Vergroting van zelfacceptatie, omgaan met winnen en verliezen, kennis over gezondheid en leren samenwerken, gaan immers dikwijls samen met motorische leereffecten. Ter illustratie enkele praktijkvoorbeelden uit het regulier onderwijs en het speciaal onderwijs.

Praktijkvoorbeelden
Voorbeeld voor het MBO. Basketballen staat centraal in een les (95% van de tijd), de 'fast break' wordt geoefend met afronden via een 'lay-up'. Na de aanval dribbelen de leerlingen rustig via de zijkant weer terug. Via leskaarten (Dokman, 2011) kan het verschil duidelijk worden gemaakt tussen duurtraining, sprinttraining en (deze) intervaltraining.

Voorbeeld voor het PO/SO. De warming-up staat centraal. Een paar kinderen mogen zelf een warming-up (touwtje springen) voorbereiden (thuis) en zelf geven. Daarna wordt de warming-up geëvalueerd met de klas en op het bord maakt de docent duidelijk wat de beste manier is om blessures te voorkomen. De week daarna mogen een paar andere kinderen proberen deze principes toe te passen. Tevens is de doelstelling hierbij leiding geven, en coachen en begeleiden (Massink en Stegeman e.a., 1998).

Voorbeeld voor het VMBO. De climaxloop (van Lent, 1999) staat centraal. Tijdens de loop wordt een aantal keren de hartslag opgenomen; aan het begin, na elk blok, aan het einde en weer een minuut later. De leerlingen leren iets over conditie door het uitrekenen van het conditiecijfer (Swart & Beljon 2000). Daarnaast gaat het tevens over doorzettingsvermogen. Zes weken later wordt de loop herhaald. Aan de hand van de ' borgschaal ' gaan leerlingen kijken of ze nog beter hun best kunnen doen.

Voorbeeld voor het VO (BSM). De leerlingen krijgen een theorieles over de energiebalans uit het boek Bewegen, sport en Maatschappij (Boon, Pecht, Rijper & Stegeman, 2008). Wat is het verschil tussen overgewicht en obesitas? Wat is gezonde voeding? Vervolgens krijgen leerlingen de opdracht om te kijken in hoeverre ze een 'gezonde kantine' hebben op school. Een week later gaan ze tijdens de les l.o. naar een fitnesscentrum en daar gaan ze de calorieën van één 'Mars' verbranden op een loopband of op de hometrainer.

Besluit
De les bewegen en sport zelf levert matig tot intensieve activiteit en is dus op zich waardevol als bijdrage aan een actieve leefstijl (Slingerland & Borghouts 2008). Vaak kan door een paar eenvoudige organisatorische aanpassingen het actiepercentage worden verhoogd ('niet blij, in de rij'). Verbreding van doelstellingen kan dus leiden tot het bereiken van meerdere leereffecten naast elkaar.

Literatuurverwijzingen

  • Boon, K., Pecht, R., Rijper, G. en Stegeman, W. (2008). Bewegen, sport en maatschappij. Eindhoven: Albert Sickler.
  • Dokman, I. en Baremans, B. (2010). Leskaarten bewegingsonderwijs. Zwolle: Fital Sports.
  • Massink, M. en Stegeman, H. (1998). Bewegen en regelen. Meppel: Edu'Actief.
  • Lent, H. van (1998). Bewegen en Gezondheid 2: Duurconditie. Meppel: Edu'Actief.
  • Beljon, K. en Swart, P. (2004).Startschot. Meppel: Edu'Actief.
  • Slingerland, M. en Borghouts, L. (2008). Kan LO bijdragen aan de beweegnorm? De Lichamelijke Opvoeding nr. 8, p.12.