Canonlo

ASPECTEN VAN GEZONDHEID, WELKE ZIJN BEÏNVLOEDBAAR?

(Venster: Over de relatie tussen lichamelijke opvoeding en gezondheid)

Wat is gezondheid?
De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO, 1958) definieert gezondheid als een toestand van volledig lichamelijk, geestelijk en sociaal welzijn en niet slechts als de afwezigheid van ziekte of gebrek. Deze definitie is algemeen aanvaard, maar (a) is moeilijk te operationaliseren, (b) is wat statisch geformuleerd ('toestand') in plaats van dynamisch en (c) is gebaseerd op een tweedeling van gezondheid en ziekte (Gezondheidsraad 2010).
Bouchard e.a. (1994) gaan iets verder door gezondheid te definiëren als een dynamisch begrip met zowel lichamelijke, sociale als psychologische dimensies, die ieder een continuüm vormen met zowel positieve als negatieve uitersten. Positieve gezondheid is de mogelijkheid te genieten van het leven en tegenslagen te overwinnen; negatieve gezondheid betreft ziekte (morbiditeit) en in het uiterste geval vroegtijdig overlijden (mortaliteit).

De invloed van aanleg en training
In het algemeen zijn het de genen die voor meer dan de helft (60-80%) bepalen of iemand een topsporter kan worden/ Maar ook de kans op een chronische ziekte of plotse dood wordt voor een groot deel door aanleg bepaald. Jongeren kunnen op jonge leeftijd kanker krijgen of geboren worden met een ernstige aandoening, onafhankelijk van hun lichamelijke activiteit en fitheid. Jongeren die dezelfde trainingsbelasting krijgen, kunnen bovendien heel verschillend reageren met meer of minder trainingseffecten. De HERITAGE familie studie van Bouchard e.a. (2007) laat zien dat de bijdrage van aanleg aan het uithoudingsvermogen ongeveer 50% bedraagt. Het verhogen van de lichamelijke fitheid heeft dus wel een gunstig effect op de gezondheid, maar kan slechts in beperkte mate voorkómen dat zich bepaalde ziekten ontwikkelen of dat vroegtijdig overlijden optreedt. Wel is gebleken dat een goede fitheid bijdraagt aan het verbeteren van ziektebeloop en ziekteherstel (zoals tijdens een behandeling van kanker.

Het operationaliseren van gezondheid
In onderzoek naar de relatie tussen gezondheid en lichamelijke activiteit zal het begrip gezondheid moeten worden ontleed in meetbare indicatoren, zoals sterfte, ziekte, prevalentie van risico indicatoren, gezondheidszorg gebruik, beperkingen, dagelijks functioneren (zowel lichamelijk als mentaal), welzijn (lichamelijk, emotioneel, zelfconcept) en gezonde levensjaren (Stewart e.a. 1991). Voor jongeren zijn vooral zorggebruik, dagelijks functioneren en welzijn bruikbare indicatoren om hun gezondheid te operationaliseren.

Onderzoek naar directe en indirecte effecten van bewegingsonderwijs
Tijdens de lessen bewegen en sport wordt op de basisschool gemiddeld 18 minuten en in het voortgezet onderwijs 21 minuten, matig intensieve activiteit gedaan (Slingerland 2010). Dit aandeel kan beschouwd worden als het directe effect van bewegingsonderwijs op het activiteitenpatroon van jongeren. Op de bewuste dagen leveren zij daarmee ongeveer een derde deel van de Nederlandse Norm voor Gezond Bewegen (NNGB), namelijk 60 minuten matig intensieve activiteit per dag (Kemper e.a. 2000).
De indirecte effecten van bewegingsonderwijs, waarbij leerlingen worden gestimuleerd om ook buiten de lessen, zowel nu als in hun latere (volwassen) leven, meer lichamelijk actief te blijven, zijn nauwelijks aangetoond ( Slingerland e.a. 2010). Het KISS onderzoek van Kriemler e.a. (2010) voerde een interventie uit van één schooljaar bij jongens en meisjes van 7 en 12 jaar in 28 schoolklassen op 15 basis scholen in Zwitserland. De interventie bestond uit drie componenten: twee extra lessen gecombineerd met dagelijkse korte pauzes met lichamelijke activiteiten en huiswerkopgaven met lichamelijke activiteiten. De experimentele groepen vertoonden in vergelijking met controle groepen na het schooljaar een daling van de vetmassa, een verbetering van het aerobe uithoudingsvermogen en een toename van de lichamelijke
activiteit op school. Het positieve resultaat voor dit directe effect kan worden toegeschreven aan de multicomponent interventie. Maar ook in deze gerandomiseerde en gecontroleerde studie (zgn. RCT) bleken geen indirecte effecten aantoonbaar: het totale activiteitspatroon bleek niet significant verhoogd in de experimentele groep ten opzichte van de controle groep (Kemper 2011).

Literatuurverwijzingen

  • Bouchard, C.; Blair, S.N.; Haskell WL (eds.)(2007). Physical activity and health. Champaign IL, USA: human Kinetics, 409 p.
  • Bouchard, C.; Shephard, R. en Stevens, T. (1994). Physical activity, fitness and health. International. proceedings and consensus statement. Champaign IL USA: Human Kinetics, p. 579-590
  • Gezondheidsraad (2010). Is health a state or ability? Towards a dynamic concept of health. Report of an invitational conference December 10-11-2009. Publ. nr A 10/04. Den Haag: Gezondheidsraad, 19 p.
  • Kemper, H.C.G. (2011). Fitte kinderen, sportieve tieners; over de invloed van bewegen en sport op jongeren. Amsterdam: Elsevier Gezondheidszorg.
  • Slingerland, M. en Borghouts, L.B. (2010). Direct and indirect influence of physical education-based interventions on physical activity: a review. Journal of Physical Activity and Health
  • Slingerland, M. (2010). Intensiteit van lessen lichamelijke opvoeding in Nederland gemeten. Lichamelijke Opvoeding, nr. 11: 10-13.
  • Kriemler, S.; Zahner, L.; Schindler, C., Meyer, U.; Hartmann, T.; Hebestreit, H. e.a. (2010). Effect of school based physical activity programme (KISS) on fitness and adiposity in primary schoolchildren: cluster randomised control trial British Medical Journal 2010; 340:c 785
  • Stewart, A.L. en King, A.C. (1991). Evaluating the efficacy of physical activity for influencing quality-of life outcomesin older adults. Annual Behaviour Medicine 1991; 13: 108-116
  • WHO (1958). The First ten years of the World Health organizations. Geneva: WHO, 538 p.